161 - Blauw

Hij wilde alleen even het licht op de gang uitdoen, maar slaapdronken stapte Harry mis en viel van de trap tot beneden aan toe. Het kabaal was dusdanig dat ik er wakker van schrok .

Wat wil je op zo'n moment doen? Opspringen en naar beneden rennen om de gevallene overeind te helpen. Is er niks gebroken? En dan zalven, pleisteren en voorzichtig in bed stoppen met een kusje toe.

Maar ik kon niks doen behalve Jan roepen, die al in paniek naar beneden kwam. Als iemand valt, dan is hij erg van streek. Niet verwonderlijk, als je als jong kind je moeder zo vaak hard hebt zien neerkomen.

‘Ik kan toch moeilijk nu al in een rolstoel gaan zitten’, zei ik dan. Ik liep, weliswaar wankel, toen nog zonder hulp. Als ik viel, was dat altijd keihard op mijn hoofd. Met mijn armen kon ik de val immers niet meer opvangen. En vaak was Jan erbij...

Verschillende keren belandde ik op de Eerste Hulp en ik kan het aantal blauwe ogen, dat in een week of vier van donkerpaars via rood naar blauw en groen en tenslotte vuilgeel kleurde, nauwelijks nog tellen.

Godzijdank stond Harry weer op en strompelde naar boven. We telden het aantal blauwe plekken en schaafwonden. Dat waren er veel. Met een ‘gelukkig heb ik niks aan mijn hoofd’, gingen we weer slapen.

De volgende ochtend klonk alweer zo'n gekreun. Niet toch wat gebroken?. Harry had de steiger voor het huis (dat wordt geschilderd) niet gezien en stootte, op zijn Utrechts, knoerthard zijn ‘harses’. Nu heeft hij wel wat aan zijn hoofd... De buil wordt al blauw.

11 mei 2007

162 - Bravo
‘Papa Bravo Alpha is asking permission to enter your area. We are coming from Lelystad and we’d like to fly above Utrecht. We’ll turn back via Amersfoort’.

Piloot Martijn klinkt heel professioneel, als hij toestemming vraagt aan de vluchtleiding van vliegbasis Soesterberg om haar gebied te mogen doorkruisen. Ook het bedienen van alle meters en knoppen die deze Cessna 172 rijk is, ziet er heel bekwaam uit.

Dat schept vertrouwen, wat ook nodig is als je voor het eerst in een vierpersoons vliegtuigje zit. In de lucht vraag ik onze vriend Martijn of alles volgens plan verloopt. Papa Bravo Alpha (het toestel draagt de letters PBA) vliegt volgens plan.

Natuurlijk zeg ik ja, als ik een vliegtochtje boven Utrecht mag maken! Dat ik wel wat beverig ben, laat ik niet merken. Zoon Jan is mee evenals mijn hulp Joop, die mij zonder al teveel moeite het toestel in tilt.

Onder ons ligt landbouwgrond in alle mogelijke kleuren. Water en bruinigheid blijken de Oostvaardersplassen te zijn. Ze vallen me een beetje tegen, maar misschien komt dat door mijn wat wiebelige hoofd.

En dan doemt in de verte de Domtoren op! Tweemaal cirkelen we over het Utrechtse centrum. We zien Hoog Catharijne, de schouwburg en ons favoriete terras. En ook ons huis, waar Kees staat te zwaaien.

‘En, hoe vinden jullie het?’, vraagt Martijn enthousiast. Eerst maar eens op de grond staan, denk ik. Want wie opstijgt, moet ook landen (het zou een uitspraak van Johan Cruijff kunnen zijn).

‘Mama Bravo!’, roep ik opgelucht. Ik vind mezelf een hele Piet, zo na afloop. Maar dat is natuurlijk niet eerlijk. Martijn, Bravo!

21 mei 2007

163 - Nachtegaal
Het waren vooral de geluidjes, die zo heerlijk vertrouwd klonken. Een kuchje, een zuchtje, het gescharrel in de keuken, het vouwen van de krant. Maar vooral het enigszins schuifelende loopje, dat ik al ken sinds mijn jonge jeugd.

Door een auto-ongeluk werd haar ene been een paar centimeter korter dan het andere. Hierdoor loopt mijn moeder een klein beetje mank. Als kind vond ik moeders die normaal liepen, eigenlijk geen echte moeders.

Ze was een weekje mee naar Ameland, waar ik een aangepast appartement had gehuurd. Inmiddels ben ik zo aangewezen op mijn rolstoel, dat lang niet elk huis meer geschikt is voor een vakantie. Ik heb echt de ruimte nodig.

Bovendien moet ook het sanitair aan bepaalde eisen voldoen. Ik heb een hoog toilet nodig en de douche mag geen drempels of opstapjes hebben. De tijd van in een badkuip stappen om te douchen is echt voorbij.

Mam, Dorine en ik gingen er elke dag op uit. Ameland is heerlijk met zijn stranden, dijken, polders en wadden waar het wemelt van de vogels. We bezochten de schattige dorpen en streken neer op terrasjes.

De bewoners van het eiland zijn vriendelijk. Ook de mannen van politie en Staatsbosbeheer, die ons menigmaal betrapten. We reden dan met de auto over fietspaden, op zoek naar de nachtegaal. Deze mindervalide eilandgast kreeg echter geen bekeuring en op een goed moment zong de nachtegaal voor ons!

Toch is het de nabijheid van mijn moeder, die me deze week het meest is bijgebleven. Na zoveel jaren lijkt alles eigenlijk nog hetzelfde als vroeger. Dan denk ik al het actuele even weg en luister enkel naar haar geluidjes.

25 mei 2007
164 - Mijn fiets
Ik keek hem na tot hij de hoek om was en mijn leven uitgereden. Hij knipoogde nog even met zijn achterlicht, al weet ik dat fietsen dat helemaal niet kunnen. Toch knipoogde ik terug.

Het deed me betrekkelijk weinig om mijn driewiel-ligfiets te koop aan te bieden. Tenslotte reed ik er al anderhalf jaar niet meer op en stond het ding maar in de weg. Het is een stuk opgeruimder nu.

De laatste keer dat ik probeerde te fietsen, herinner ik me goed. In het zadel gaan zitten was ronduit eng. Mijn armen gleden van het stuur en mijn benen kregen de trappers nog nauwelijks rond. Aan het eind van de straat hijgde ik al als een oud paard. Wat een frustratie.

En ik heb zoveel plezier van hem gehad! Gaan en staan waar je wilt, wind op je wangen. Ik ging ermee naar de stad en de natuur in. En dan die tripjes met onze jongste zoon. Bagage in het kofferbakje en rijden maar.

Het leuke van deze fiets was, dat hij er helemaal niet gehandicapt uitzag. Eerder stoer. Op het laatst was dat ook wel lastig, want ik werd trager in het verkeer. Menigmaal kreeg ik op mijn donder van passerende fietsers en automobilisten.

Vanaf deze week woont mijn fiets in Houten en ik ben erg blij voor de nieuwe berijdster. Ook zij mankeert wat en kan niet meer op een gewone fiets rijden. Nu kan zij weer genieten, net als ik dat deed.

Ach mooie, rode ligfiets. Wat was, is niet meer. Je de straat zien uitrijden viel toch niet mee en dit moeten opschrijven al helemaal niet.

1 juni 2007
165 - Ritueel
Een grindpad ziet er altijd mooi uit. Het past ook goed bij de sfeer van bijvoorbeeld een park . Er met een rolstoel overheen rijden, valt echter niet mee. Zo is het op de begraafplaats voor mijn duwer vaak hard werken.

Van de week zag ik daar trouwens een heel bijzondere begrafenis. Een rouwkoets met vier in het zwart getooide paarden reed stapvoets over het kerkhof. Ervoor liepen zes mannen en jongens met grote bossen bloemen, waar ze de blaadjes vanaf trokken en op het pad strooiden.

"Wat een mooi ritueel!", zeiden mijn hulp Maria en ik tegen elkaar. De overledene wordt over bloemen naar zijn laatste rustplaats gedragen. Een zigeunerorkestje begeleidde de stoet, die zo te zien voor het overgrote deel bestond uit mensen uit een Oost-Europees land.

Er is een speciale plek waar zij hun doden begraven. Enorme marmeren praalgraven staan altijd vol bloemen en kaarsen, maar vaak liggen er ook eet- en drinkwaren. Dit keer droegen ze een kratje bier met zich mee.

Terwijl wij bezig waren met plantjes verzorgen, bereikten ons flarden muziek. Een orthodoxe priester zong en de mannen deden mee. Op de terugweg kwamen we langs de groep.

"Wat een mooi ritueel", zullen de mensen wel hebben gedacht. Ze zagen iemand achterwaarts het grindpad afkomen. "Als je afscheid neemt van je dierbare, laat je je blik zo lang mogelijk op het graf rusten".

Maar in werkelijkheid lag er net nieuw grind op het pad en de voorwieltjes van de rolstoel kwamen helemaal vast te zitten. De enige manier om er overheen te komen, was door de stoel achteruit de steentjes door te trekken…

8 juni 2007
166 - Douche
Elke ochtend prijs ik mezelf gelukkig, als ik onder de douche sta. Dat deed ik ook toen ik eens een paar weken in een ver en arm land was. Daar liet de waterleiding, en met name het warme water, het nogal eens afweten.

Hier in Nederland kunnen we ons nauwelijks voorstellen dat we vijftig jaar geleden nog in de tobbe gingen. En dat dan één keer per week. Jezelf wassen behoort nog niet zolang tot de alledaagse bezigheden.

In de jaren zestig kwamen er hypermoderne bejaardenhuizen met bij iedere kamer een piepklein keukentje en een douche. Maar al te vaak werd deze laatste ruimte gebruikt voor opslag of als provisiekast. Wat moesten oudere mensen nou met een douche?

Maar tegenwoordig is het nemen van een douche een vanzelfsprekendheid. Wie springt niet elke ochtend even onder het frisse water om het vuil en zweet van de vorige dag en afgelopen nacht weg te spoelen?

Ik weet wel wie. Het zijn de mensen die dit niet meer zelf kunnen. Die zijn aangewezen op de zorg van anderen. Die alle dagen afhankelijk zijn van andermans tijd, begrip, humeur, werkschema en geduld. Het zijn de mensen in de verpleeghuizen.

Het zijn de mensen, die niet meer thuis kunnen wonen. De zorg is te zwaar geworden. De familie kan het niet meer aan of er is überhaupt geen familie meer. Het zijn de ongelukkigen onder ons.

Ook mensen met ALS zitten soms in een verpleeghuis. Ze hébben al zoveel pech en nu mogen ze ook nog maar één keer per week onder de douche. Daarom prijs ik mezelf elke ochtend zo gelukkig.

15 juni 2007
167 - Luchtig en positief
Dat er zo'n ongebreideld optimisme uit mijn columns klinkt. Dat mijn stukjes zo leuk zijn ook. Deze opmerkingen hoor ik weliswaar graag, maar ze maken me ook licht wantrouwig. Komt de boodschap die ik af en toe heb eigenlijk wel over?

Zo maakte ik laatst een column over de verkoop van mijn ligfiets. Tijdens het schrijven rolden de tranen over mijn wangen en ook nu nog krijg ik een brok in mijn keel als ik de tekst terug lees. Een lezeres zei me van de week, dat ze het zo’n ‘leuk stukje’ had gevonden.

Vorige week schreef ik over douchen. Dat het zo fijn is dit iedere dag te kunnen doen. De lezers vonden dat met mij, maar niemand zei iets over de triestheid van het verpleeghuis. Terwijl het me daarom eigenlijk te doen was geweest.

(Natuurlijk probeer ik luchtig en positief te schrijven; mijn columns zouden anders niet zijn te pruimen. Gelukkig zit optimisme in mijn aard, anders zou de zwaarte van deze ziekte mij al lang bij wijze van spreken hebben verpletterd).

Maar laat ik volledig zijn en niet te kritisch. Er zijn namelijk trouwe lezers die vrijwel wekelijks reageren. Mijn nicht Ellis moest net zo om de fiets huilen als ikzelf. In gedachten zie ik haar tranen op mijn woorden vallen. En dat deed me goed.

Haar oudste zus Mieke, ook een nicht dus, vertelde over haar werk in een verpleeghuis. Als ze met de bewoners rond de tafel zit en vraagt wat ze willen doen (muziek luisteren, bladeren in een tijdschrift, luisteren naar een verhaal), dan krijgt ze standaard hetzelfde antwoord: "Naar huis!"

22 juni 2007
168 - Gelukkig
"Je kunt van geluk spreken". Een ander mag het eigenlijk niet tegen me zeggen, maar ikzelf denk het nogal eens. Vorige week nog, toen ik de Wereld ALS Dag bezocht. Alweer een paar jaar vindt die op 21 juni plaats.

Dolfinarium Harderwijk stroomde die dag vol kinderen. Zeker vijf basisscholen hadden hun volledige leerlingenbestand losgelaten op het terrein. Dit park is dan ook een mooie plek voor een schoolreisje.

Het was een kunst om met mijn rolstoel al die kinderkuiten te ontwijken. En menig paar jonge ogen staarde me aan. Voor een bepaald slag kinderen, veelal dromerige meisjes, zijn invalide mensen nou eenmaal mateloos interessant.

De overgang van schoolklassen en zeeleeuwen naar lotgenoten was even slikken. "Ja, je bent één van hen", moest ik mezelf toespreken. Ik las een column voor, verkocht mijn boekjes en raakte onder de indruk van de verhalen.

Dat kon ook niet anders, want naast me zat een vader met vier kinderen, van wie de jongste zes was. Terwijl hij zijn verhaal deed, hapte hij om de paar seconden naar een zuurstofslang. Hij heeft de ziekte pas twee jaar.

Er was een jongeman met ALS. Toen zijn oude vader overleed, belandde hij noodgedwongen in een verpleeghuis. Wie moest anders voor hem zorgen? Toch toonde hij steeds zijn stralende lach.

En dan nog dat veertienjarige meisje. Haar moeder is inmiddels aan de ziekte overleden. Nu is ze wees en wil ze naar de toneelschool om later stukken over ALS te kunnen spelen. Die ziekte moet immers de wereld uit! Ik leg mijn eigen situatie nog eens onder de loep en prijs mezelf gelukkig.

29 juni 2007
169 - Naar bed
Echt, ik doe het nooit. Ik vind het zonde van mijn tijd, die al zo beperkt is. In jaren, maar ook over de dag zelf genomen. Tijd kom ik voortdurend tekort en wie trouwens ook niet?

's Middags een dutje doen is iets voor oude mensen. Rusten, helemaal zo'n erg woord. Dan mankeert er echt iets aan je. Of ben je zwanger of net geopereerd en kun je het even niet aan. Maar ik doe er niet aan mee.

Nou sta ik tegenwoordig pas om negen uur 's ochtends op. Vroeger met kleine kinderen en een drukke baan was dat bepaald anders, maar eerlijk gezegd vind ik het heerlijk om er niet meer voor dag en dauw uit te hoeven.

Het komt ook regelmatig voor, dat ik 's avonds om zeven uur al naar bed wil. Niet uit verveling, maar ik word zo moe van het zitten. Nee, ik moet nog twee uurtjes wachten, eerder kan echt niet. Zeker niet op die lange zomeravonden. Maar het is sowieso niet normaal.

Vanmiddag deed ik het toch. Na het zwemmen, wat ik nog steeds elke week doe, en een paar boodschappen had ik er ineens geen zin meer in. Was het vermoeidheid of een algeheel ‘ze- kunnen-allemaal-de-boom-in’-gevoel?

Dat laatste zou zomaar kunnen en niet alleen bij mij. De laatste drukke werk- en schoolweken voor de vakantie. Stress bij het zoeken van je spullen voor het schoolkamp. Geen zin om je moeder weer te moeten helpen.

Moe of iets anders, het tukje was heerlijk. Zo net kwam Harry thuis. Het was nog geen acht uur in de avond. ‘Ik ga naar bed’, zei hij. Zou het helpen?

6 juli 2007
170 - Merel
De gierzwaluwen vliegen nog als bezetenen door het luchtruim, de merels zingen nog altijd het hoogste lied en ik word vijftig jaar. Aanstaande zaterdag heb ik Sara gezien, dan besta ik een halve eeuw.

Op diezelfde dag, 14 juli, gaan we met het gezin op vakantie naar de Bourgogne. Het is dan quatorze juillet, nationale feestdag van Frankrijk, en in het hele land zijn dan kermissen, dansfeesten en braderieën. Allemaal voor mij!

Toen onze jongens klein waren en we op mijn verjaardag in Frankrijk vakantie vierden, maakte Harry ze wijs dat hij een feest voor mama had georganiseerd. “Als we vanavond naar het dorp gaan, dan is er een podium met muziek en ze steken ook nog vuurwerk af”.

Het gebeurde allemaal zoals Harry het voorspelde en papa was de held! Heel wat verjaardagen heb ik op deze feestelijke wijze doorgebracht en ook dit jaar zal er vuurwerk zijn.

Als ik over een paar weken weer achter mijn computer zit voor een nieuwe column, is het stil in de lucht. De gierzwaluwen vliegen met hun grootgebrachte jongen duizenden kilometers naar het zuiden om pas in april volgend jaar terug te keren.

De merels blijven in het land, maar zingen pas weer komend voorjaar. Hun schitterend gezang is namelijk uitsluitend bedoeld om het territorium, met daarin hun jongen, te verdedigen. Als de merelkinderen volwassen zijn, dan vallen de ouders stil.

Deze vijftigjarige merel probeert te blijven zingen, al zal het niet altijd het hoogste lied zijn. Jubelen doet ze nog maar zelden, maar neuriën kan natuurlijk ook. En wie weet voor hoelang nog.

13 juli 2007
151-160  Begin